Gunaikeia 1310 Contraceptie
Dit nummer van Gunaïkeia is volledig gewijd aan
anticonceptie en biedt een overzicht van de huidige middelen, de indicaties en
contra-indicaties, positieve en negatieve effecten en de toekomstperspectieven.
Hiervoor werd een beroep gedaan op experts van alle
Belgische universiteiten, die elk een bepaald aspect van het ganse spectrum van
anticonceptie toelichten.
Begin mei 2008 werd het 10de congres van de European Society
of Contraception gehouden in Praag. Een verslag hierover wordt gebracht door
Marc Vrijens. Hoewel de anticonceptieve middelen die de laatste 25 jaar worden
toegepast in essentie niet veranderd zijn, hebben zich toch aanzienlijke vernieuwingen
voorgedaan en is de informatie toegenomen. Het lijkt erop dat we nu over
voldoende betrouwbare middelen beschikken die voldoen aan specifieke
persoonlijke behoeften en voorkeuren en/of van toepassing zijn in bepaalde
fysiologische of pathologische omstandigheden. Men kan zich de vraag stellen of
er grote behoefte is om het spectrum aan contraceptieve middelen nog uit te
breiden en of de bestaande middelen nog vatbaar zijn voor verbetering. De
overtuiging dat we op een punt van verzadiging gekomen zijn is volgens
Jean-Jacques Amy één van de redenen waarom farmaceutische firma’s nog weinig
investeren in research naar nieuwe middelen. Anderzijds stellen we vast dat de
plethora aan middelen en de toegankelijkheid van betrouwbare
anticonceptie niet hebben geleid tot een spectaculaire vermindering van het
aantal ongewenste zwangerschappen. Wereldwijd worden jaarlijks 19 miljoen
zwangerschappen afgebroken op een onveilige manier en 68.000 vrouwen overlijden
ten gevolge van de verwikkelingen (1). Maar ook in landen zoals België, waar
toegankelijkheid tot anticonceptie in principe geen probleem is, is
er nog steeds een lichte stijging van het aantal
zwangerschapsafbrekingen. De redenen hiervoor worden door Anne Verougstraete
zeer uitvoerig uit de doeken gedaan. Zou uitbreiding van het gamma aan middelen
hierin verder soelaas brengen of gaat het hier veeleer om opvoeding en
informatie? Als sluitstuk van haar bijdrage geeft Verougstraete tal van
praktische tips, die alle artsen zouden moeten kennen en toepassen, om deze
stijgende trend om te buigen. Dat hier nog werk aan de winkel is, blijkt uit de
toenemende tendens van de moderne vrouw om de pil de rug toe te keren.
In haar bijdrage onderzoekt Els Elaut, psychologeseksuologe, in welke mate het effect van de pil op de seksuele beleving direct of indirect een rol speelt. Schrik voor kanker is wellicht een andere reden waarom vrouwen wantrouwig zijn tegenover hormonale anticonceptie. De publiciteit rond de WHI-studie heeft deze indruk bij het brede publiek op een ongenuanceerde manier versterkt. Joëlle Desreux maakt de balans op van de epidemiologische studies rond dit onderwerp en Yves Jacquemyn bekijkt het van de andere kant met een provocatieve titel: de pil als bescherming tegen kanker. Dat de eindbalans in het voordeel is van de pil kan niet genoeg worden benadrukt bij de patiënt die zich hierover bekommert. Jammer genoeg heeft de voorpagina van de Lancet van 26 januari 2008 niet dezelfde aandacht gekregen in de media als de WHI-studie (Zie figuur).
GUNAIKEIA - Speciaal nummer
Mijlpalen in de anticonceptie tijdens de afgelopen 20 jaar
Orale anticonceptie
Iedereen herinnert zich nog de grote opschudding in de jaren
1995-96 toen een reeks epidemiologische studies aantoonden dat OCs met
derdegeneratieprogestativa een hoger risico meebrachten op diepe veneuze
trombose. Aanvankelijk werd getracht om deze studies te ontkrachten door het inroepen
van allerlei epidemiologische valkuilen zoals een aantal confounders. Finaal
kwam men tot het inzicht dat dit de prijs was die moest worden betaald voor een
pil met een iets meer oestrogeenkarakter. Dit wordt besproken door Johan Verhaeghe die terecht zegt dat het hier in de
eerste plaats ging om een epidemiologisch steekspel dat door de eenzijdige
publiciteit in de media aanvankelijk echter veel schade heeft aangericht.
Desalniettemin heeft het iedereen bewust gemaakt, indien dit nog niet het geval
was, dat preparaten met een oestrogeeneffect ook de stolling beïnvloeden en dus
een verhoogd risico op trombose veroorzaken. Het mechanisme hiervan wordt
besproken in de
bijdragen van Cedric Hermans.
De evolutie van de pil is enerzijds gekenmerkt geweest door
het aftasten van de laagste dosis van het tot nog toe enige oestrogeen, het
ethinylestradiol, dat deel uitmaakt van alle combinatiepreparaten en anderzijds
de zoektocht naar progestativa met selectieve binding van de
progesteronreceptor of progestativa met ‘nuttige’ neveneffecten. Drospirenone
is hier een voorbeeld van.
De voorbije decade werden ook alternatieve toedieningswijzen
van de pil geïntroduceerd.
Het concept van parenterale toediening was ontleend aan de
hormonale behandeling van de
menopauze waarbij sinds lang oestrogenen werden toegediend
via pleister, gel of inplant. Kort na de introductie van de vaginale ring
werden een aantal zwangerschappen gesignaleerd. In de meerderheid der gevallen
ging het hier echter om foutieve inserties, niettegenstaande de inspanning van
de firma om via instructies en praktische trainingssessies de juiste procedure
kenbaar te maken.
Doorbraakbloedingen bleken voor een groot aantal patiënten
onaanvaardbaar waardoor een aantal afhaakte. Ook de verwijdering van het
staafje liep niet altijd van een leien dakje en case reports over ‘verloren’
staafjes en de methode van detectie en verwijdering deden hun verschijning.
Deze aanvankelijk beloftevolle methode bleek achteraf slechts bij een
minderheid van de patiënten in de smaak te vallen. Om over te stappen van de
vertrouwde ‘pil’ naar de pleisterpil en de vaginale ring moesten veel vrouwen
een psychologische barrière overschrijden. Beide systemen hebben hun voor- en
nadelen, zoals duidelijk wordt uiteengezet in de bijdrage van Yannick Manigart.
Waarom heeft het zolang geduurd vooraleer de gynaecologen
beseften dat er geen enkele endocriene reden was om de pil te geven gedurende 21
dagen en dan zeven dagen te stoppen.
Hoewel de pil een aantal ongemakken die geassocieerd zijn
met de menstruatie zoals overvloedig bloedverlies en dysmenorroe verlicht,
veroorzaakt de pil bij een aantal vrouwen toch nog perimenstruele ongemakken.
Ulysse Gaspard belicht de voordelen van pilregimes met verkort pilvrij interval
en de continue oestroprogestatieve toediening. Het zal echter nog veel en
aangehouden voorlichting vragen om de patiënt ervan te overtuigen dat
menstruatie voor de moderne vrouw een culturele aberratie is en dat het
doornemen van de pil in veel gevallen belangrijke voordelen kan bieden. Zoals
besproken door Linda Ameryckx biedt de ‘progestin-only’-pil hier een uitstekend
alternatief voor vrouwen bij wie een contra-indicatie bestaat voor een
behandeling met oestrogenen.
Behalve de progestin only pill zijn er ook twee andere
vormen van anticonceptie met progestativa, namelijk de injecteerbare vorm en
het implantaat. Zoals besproken in de bijdrage van Judith Berger en Gilbert
Donders komen zij voornamelijk in aanmerking wanneer therapietrouw een probleem
is.
Op het vlak van noodanticonceptie is er ook een belangrijke evolutie geweest van de hoge dosis oestrogenen van het Yuzpe-schema naar de eenmalige toediening van 1,5mg levonorgestrel die deze vorm van anticonceptie acceptabel maakt. Het nadeel is echter dat deze methode enkel effectief is indien LNG wordt ingenomen voor de ovulatie en dat dit in de praktijk moeilijk kan worden vastgesteld. In geval van twijfel hierover is het veiliger een koper-IUD te plaatsen, in afwachting van de beschikbaarheid van noodanticonceptie met SPERMs. Zoals besproken in de bijdrage van Jean-Jacques Amy hebben deze het voordeel dat ze niet alleen de ovulatie kunnen remmen maar ook een antinidatoir effect hebben op het endometrium.
Intra-uteriene anticonceptie
Er bestaan twee vormen van intra-uteriene anticonceptie: het
koper-IUD en het levonorgestrel-IUD. De veiligheid, de indicaties en de
neveneffecten van beide systemen worden uitgebreid besproken door Pascale
Jadoul. Terwijl anticonceptie en noodanticonceptie de enige indicaties zijn voor
het koper-IUD, heeft het levonorgestrel-IUD een extra therapeutische dimensie
door de lokale afgifte van levonorgestrel. Steven Weyers heeft de evidentie
voor het therapeutisch effect van het LNG-IUD voor bepaalde aandoeningen
onderzocht en ingedeeld volgens graden A, B en C. Zoals besproken zowel door
Joëlle Desreux als Pascale Jadoul wordt het LNG-IUD afgeraden bij patiënten met
borstkanker.
Sterilisatie
De technieken voor tubaire ligatuur zijn de laatste 20 jaar
niet meer gewijzigd. Hoewel in principe voorbehouden aan vrouwen die hun
kinderwens hebben voldaan, bieden microchirurgisch herstel en indien dit faalt,
ivf een oplossing voor spijtoptanten. Desalniettemin is er een belangrijke vermindering
in de vraag naar tubaire ligatuur. Uit de bijdrage van Willy Poppe blijkt dat
het aantal tubaire ligaturen in België op tien jaar tijd met meer dan de helft
is gedaald. Ook in andere landen ziet men dezelfde trend. Volgens de auteur is
de beschikbaarheid van andere middelen, voornamelijk het LNG-IUD, hiervoor verantwoordelijk.
Hoewel de Essure-techniek voor hysteroscopische occlusie van de tuba vrij
succesvol is, kent deze methode toch een moeizame start die volgens de auteur gedeeltelijk
te wijten is aan het feit dat het materiaal voor deze ingreep duur is en niet
wordt vergoed. In tegenstelling tot de tubaire ligatuur is de hysteroscopische
sterilisatie onomkeerbaar.
Toekomstperspectieven
Na een overzicht van actuele studies met een ander
oestrogeen (estetrol), nieuwe progestativa en antiprogestativa en andere vormen
van anticonceptie, overloopt Jean-Jacques Amy enkele mogelijke denkpistes voor
totaal nieuwe vormen van anticonceptie. Wijsheidshalve begint hij met te zeggen
dat niets moeilijker is dan voorspellingen te doen over de toekomst. Het gebrek
aan enthousiasme van de farmaceutische firma’s en het probleem om ingrijpende
biologische veranderingen die bevruchting en/of implantatie verhinderen als
methode zowel trefzeker als omkeerbaar te maken zullen hier de grote
struikelstenen zijn. Het beloftevolle concept om vrouwen te immuniseren tegen
het humaan choriongonadotrofine, een idee dat reed dertig jaar meegaat en dat
nooit werd gerealiseerd, is hiervan een illustratie.
De belangrijkste uitdaging is mijn inziens niet het vinden
van nieuwe vormen van anticonceptie maar de bewustwording dat seksualiteit en
voortplanting, alhoewel zij biologisch bij elkaar horen, in de huidige tijd als
twee afzonderlijke fenomenen moeten worden beschouwd. Ouders moeten ervan
worden overtuigd dat de biologische toestand van hun dochters er één moet zijn
van tijdelijke onvruchtbaarheid en idem dito voor de volwassen vrouw die niet
zwanger wenst te worden. Dit betekent dat de vrouw tot inzicht moet komen dat
vruchtbaarheid en voortplanting het enige doel is van de menstruele cyclus en
dat er tal van middelen zijn om dit doel tijdelijk of definitief uit te schakelen.
Marc Dhont
Dienst Gynaecologie-Verloskunde, UZ Gent, UG






Bestand